Seksualiteit
Uitstrijkje: onderzoek en uitslag
Vrouwen tussen de 30 en 50 jaar krijgen in het kader van het landelijk onderzoek naar baarmoederhalskanker om de vijf jaar een oproep om een uitstrijkje te laten maken. Zo'n onderzoek hoeft niet persé door de huisarts te gebeuren. Het kan ook bij de Rutgers Stichting of een SOA-kliniek van de GGD (waar geslachtsziekten worden opgespoord en behandeld).
Het onderzoek
Allereerst brengt de arts een eendenbek (speculum) in de vagina en veegt met een spateltje wat cellen van de baarmoedermond. Als het goed is levert die handeling twee celtypen op. Deze worden op een glazen plaatje uitgestreken (vandaar de naam uitstrijkje) en naar een laboratorium gestuurd. Daar worden de cellen onderzocht op eventuele afwijkingen.
De uitslag
De uitslag van het uitstrijkje kan variëren van PAP-klasse 1 tot PAP-klasse V.
Bij PAP-1 is er niets aan de hand, terwijl PAP-II 'een lichte storing' inhoudt. Een paar cellen laten een kleine afwijking zien. Meestal wijzen de afwijkingen niet op kanker, maar gaat het om een kleine infectie. Wel is het verstandig om het onderzoek na een jaar te herhalen. Een enkele huisarts vindt deze uitslag toch riskant en geeft je een doorverwijzing naar het ziekenhuis voor een kijkonderzoek door een gynaecoloog.
PAP-III A betekent net als PAP-II 'een lichte storing', maar er zijn ook 'onrustige cellen' aangetroffen. Voor baarmoederhalskanker hoef je in dat geval niet bang te zijn. Wel moet het uitstrijkje na drie maanden worden gehaald. Is de afwijking nog hetzelfde, dan volgt een doorverwijzing naar een gynaecoloog voor een kijkonderzoek. Daarbij wordt de baarmoederhals via een microscoop onderzocht.
Bij PAP-III B of PAP IV is er een grote kans op een voorloper van baarmoederhalskanker. De cellen die zijn uitgestreken lijken op kwaadaardige cellen. Bij één van deze uitslagen volgt altijd een kijk- en weefselonderzoek. Van een kwaadaardige aandoening is meestal nog geen sprake. Er zijn namelijk nog geen celveranderingen en uitzaaiingen in de omliggende weefsels. PAP-III B of PAP-IV kan wel een voorstadium zijn van kanker.
De uitslag PAP-V geeft meestal aan dat er sprake is van baarmoederhalskanker. Weefselonderzoek moet hierover uitsluitsel geven. Meestal duidt zo'n onderzoek celveranderingen in de dieper gelegen cellagen aan.
De behandeling
Als er sprake is van een voorloper van baarmoederhalskanker word je meestal behandeld. Er zijn dan drie behandelingen mogelijk: verwijdering van de hele baarmoeder met alle omliggende weefsels en lymfeklieren, lusexcisie en exconisatie. Over de twee laatstgenoemde het volgende:
Lusexcisie is een behandeling die wordt uitgevoerd als er afwijkende cellen zijn gevonden aan de baarmoedermond. Met een elektrisch verwarmd metalen lusje wordt een dunne schil van de baarmoedermond 1weggehaald. De behandeling vindt poliklinisch plaats, onder verdoving.
Bij exconisatie wordt een kegelvormig stukje weefsel van de baarmoeder weggehaald. De behandeling een ziekenhuisopname van vier dagen. De ingreep zelf neemt 10 of 15 minuten in beslag en vindt plaats onder narcose.
Lees meer over het belang van een uitstrijkje.