Medicatie na niertransplantatie moet omlaag
Erasmus MC, 29-11-2011 | Ga naar het archief »
Bijna één op de tien niertransplantatiepatiënten ontwikkelt enkele jaren na een transplantatie kanker. Belangrijke aanleiding voor deze complicatie is de afweerremmende medicatie die patiënten krijgen. De dosering van deze medicijnen kan bij de meeste patiënten drastisch omlaag, zo stellen onderzoekers van het Erasmus MC.
Na 42 jaar niertransplantatie in Nederland is duidelijk dat 16 procent van de patiënten overlijdt aan kanker. Het gaat om een verhoogd risico op bijna alle soorten kanker. Deze complicatie ontwikkelt zich op een veel later tijdstip na transplantatie dan andere complicaties, zoals hart- en vaatziekten of infectieziekten. Dit leidt tot een aanzienlijk lagere levensverwachting bij deze patiënten. Bij niertransplantatie patiënten die kanker ontwikkelen wordt de diagnose meestal zes tot zeven jaar na transplantatie gesteld. Zij overlijden ongeveer acht jaar na transplantatie. Kanker is daarmee naast hart- en vaatziekten de meest voorkomende doodsoorzaak bij orgaantransplantatie.
Er zijn verschillende factoren die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van complicaties na niertransplantatie. Zo zijn onder andere het geslacht, het ras, de leeftijd en leefstijl van de patiënt van invloed. Maar ook de verscheidenheid aan medicijnen die patiënten krijgen voor en na een transplantatie is verantwoordelijk voor lange termijn complicaties. Het gaat om medicijnen die het immuunsysteem onderdrukken om te voorkomen dat het lichaam van de patiënt het nieuwe orgaan afstoot.
Op dit moment is ongeveer driekwart van alle niertransplantatiepatiënten stabiel. In een vervolgonderzoek zal gekeken worden of ook zij met minder medicijnen uitkunnen.
Lees meer over de in dit nieuwsbericht vermelde aandoeningen: